Sign. - Besluit kennelijk onredelijk, geen voorzieningen


In deze bijdrage bespreekt Van het Kaar de beschikking van de Ondernemingskamer (OK) van het Hof Amsterdam van 2 februari 2009, ARO 2009, 42 (lsquoStichting Ambulance Oostrsquo). Zie voor een korte beschrijving van deze zaak TAP Signaleringen/Medezeggenschapsrecht TAP 2009, p. 125. Naar aanleiding van deze beschikking merkt de auteur op dat gebrekkige informatieverstrekking en/of gebrekkige motivering van het besluit in de praktijk de belangrijkste gronden zijn waarop de OK oordeelt dat een ondernemer niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Een ondernemingsraad (OR) dient concreet aan te geven op welke punten er een gebrek bestaat. In deze zaak oordeelde de OK dat de OR onvoldoende concreet had gesteld in welk opzicht het onderzoek naar alternatieven voor de door de ondernemer gekozen route tekort zou schieten. Vanwege een niet-ontvankelijkheidsverweer van de ondernemer, geeft de auteur voorts aan dat de OK strikt is in zijn oordeel dat de beroepstermijn van art. 26 lid 2 WOR pas begint te lopen vanaf het moment dat de ondernemer de OR (en niet één of meer OR-leden) schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van zijn besluit. Indien geen dag vast te stellen is waarop de OR schriftelijk van het besluit in kennis is gesteld, dan vangt de beroepstermijn aan op het moment dat de OR het gewicht en de reikwijdte van het besluit heeft onderkend c.q. redelijkerwijs had moeten onderkennen. De auteur sluit af met de constatering dat er een potentiële kloof bestaat tussen gelijk hebben en gelijk krijgen: de OK heeft al vaker geoordeeld dat een besluit kennelijk onredelijk was zonder toewijzing van de gevraagde…

Verder lezen
Terug naar overzicht