Sign. - Betalingen aan ex-echtgenote niet aftrekbaar op grond van artikel 6.3 lid 1 sub f Wet IB 2001


M en V zijn in 1982 op huwelijkse voorwaarden (inhoudende koude uitsluiting, een verrekenbeding, waaraan nimmer uitvoering is gegeven, en een vervalbeding) met elkaar getrouwd. Het huwelijk is in 2006 door echtscheiding ontbonden. De echtelijke woning is eigendom van M.
In hun echtscheidingsconvenant zijn partijen onder meer overeengekomen:
1. dat V de echtelijke woning zal verlaten zodra ten behoeve van haar en op kosten van M op het perceel behorend tot de echtelijke woning een woonunit is geplaatst;
2. dat M tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd alle woonlasten voor V zal voldoen;
3. dat V een levenslang woonrecht houdt in een voormelde woonunit, welk woonrecht wordt gewaardeerd op minimaal € 126.000;
4. dat voormelde waarde door V in natura wordt genoten en dat dit bedrag haar toekomt op grond van afrekening van de huwelijkse voorwaarden, verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen, alsmede verplichtingen van M jegens V op grond van dringende redenen van moraal en fatsoen;
5. dat mocht V vóór voor haar 65e levensjaar besluiten elders te gaan wonen, vanaf datum vertrek maandelijks € 700 op haar bankrekening wordt gestort tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
6. dat zij hiermee uitvoering hebben gegeven aan het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden, dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben en dat zij elkaar algehele en finale kwijting verlenen.
V heeft in februari 2008 het woonverblijf verlaten en is elders gaan wonen. In verband hiermee heeft M haar in 2008 maandelijks een bedrag van € 680 (het in het convenant genoemde bedrag van € 700 verminderd met…

Terug naar overzicht