Sign. - Bijdrage in hypotheeklasten samenwoner was geen natuurlijke verbintenis


M en V hebben sinds 1996 een affectieve relatie, waaruit in 1999 zoon Z wordt geboren. Gedurende hun relatie hebben partijen ieder hun eigen woning. Door de week verblijven partijen in de woning van V, tijdens het weekend en in de vakanties verblijven zij in de woning van M.
In 2003 koopt V voor € 180.000 een ander huis, dat volledig op haar naam wordt gezet. De benodigde hypothecaire lening gaan M en V gezamenlijk aan. V voldoet de volledige hypotheeklasten (€ 1.100 per maand) aan de bank, M betaalt op zijn beurt maandelijks € 400 aan V als tegemoetkoming in de kosten. In 2008 eindigt de relatie tussen M en V. De rechtbank bepaalt in 2009 de door M aan V te betalen kinderalimentatie op € 515 per maand. Bij de vaststelling van de draagkracht van M heeft de rechtbank rekening gehouden met het bedrag van € 400 per maand dat M aan V betaalt als tegemoetkoming in haar hypotheeklasten, waarvan – aldus de rechtbank – de rechtbank heeft begrepen dat M dit zal blijven betalen. Op 26 januari 2011 deelt M per aangetekende brief aan V mee dat hij de betaling van de maandelijkse bijdrage van € 400 per 1 april 2011 zal staken. Als M inderdaad op 1 april 2011 zijn betalingen stopzet, betrekt V hem in rechte.
De rechtbank oordeelt dat de betaling van de bijdrage in de woonlasten van V moet worden aangemerkt als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis (artikel 6:3 lid 2 sub b BW). Volgens de rechtbank was de woonsituatie van V in haar eerste huis onhoudbaar en was zij niet…

Verder lezen
Terug naar overzicht