Sign. - Boeteoplegging trustkantoor


 

Niet is gebleken dat DNB voorafgaand aan de toezichtbezoeken aan Van Baerle in maart 2008 concrete aanwijzingen had dat sprake was van overtredingen van de Wtt en/of de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt (Rib) door Van Baerle, laat staan dat sprake was van een voornemen om Van Baerle ter zake daarvan een bestuurlijke boete op te leggen. Uit de Nota toezichtbezoek van DNB blijkt dat op 1 april 2008 in een bespreking met de afdeling juridische Zaken van DNB nadere stappen zijn besproken en dat toen is besloten om een nieuwe interne aangifte op te stellen waarbij de boete- en dwangsomfunctionaris wordt verzocht een last onder dwangsom op te leggen, gecombineerd met een bestuurlijke boete. De bij het bezoek aan Van Baerle in maart 2008 gedane mondelinge mededeling van toezichthouders van DNB aan bestuursleden van Van Baerle dat "DNB opnieuw formele maatregelen kan treffen bij overtreding van de bepalingen van de Wtt en de Rib" kan niet worden aangemerkt als een handeling waaraan Van Baerle in redelijkheid de gevolgtrekking kon verbinden dat haar wegens een overtreding een boete zou worden opgelegd. Hieruit volgt dat de betrokken bestuursleden van Van Baerle geen zwijgrecht ex art. 23 Wtt toekwam. Het adres van Van Baerle was in het handelsregister als vestigingsadres van C vermeld. De vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Van Baerle ten tijde in geding trustdiensten heeft verleend aan C, omdat van bijkomende werkzaamheden niet is gebleken, beantwoordt het College bevestigend. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de hier in geding zijnde nadere regels in de Rib vallen binnen het door art. 10 lid…

Verder lezen
Terug naar overzicht