Sign. - Borgstelling


De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 juni 1994 (NJ 1997, 287) geoordeeld dat, indien de dwaling van de borg ter zake van de financiële positie van de schuldenaar voor wiens schuld de borgtocht tot zekerheid strekt, is te wijten aan de wederpartij van de borg in dier voege dat zij is teweeg gebracht door gedragingen van die wederpartij zoals bedoeld in art. 6:228 lid 1 onder a en b BW, de dwaling voor rekening van de wederpartij behoort te blijven, ongeacht of sprake is van een particuliere of professionele borg. De bank beschikte ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van borgtocht niet over actuele financiële cijfers van BB&O. In casu was zij was niet verplicht appellant daarover in te lichten. Zij mocht er immers van uitgaan dat appellant, die zich reeds voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van borgtocht had ingekocht (als aandeelhouder) in BB&O Holding, zelf in verband met die inkoop deugdelijk onderzoek had verricht naar het financiële reilen en zeilen van BB&O Holding en haar volledige dochter BB&O, waarvan BB&O Holding ook bestuurder was. appellant had zich voorafgaande aan de inkoop, althans het sluiten van de borgtochtovereenkomst, in de cijfers van BB&O verdiept, maar hij zou daarbij om de tuin zijn geleid. Dit kan hij niet aan de bank tegenwerpen. Voor de bank bestond geen reden om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van borgtocht zelf een onderzoek in te stellen naar de actuele financiële cijfers van BB&O en appellant daaromtrent in te lichten. Het beroep op…

Verder lezen
Terug naar overzicht