Sign. - Borgtocht en IPR


Arrest 12 juni 2012: Volgens het op 1 januari 2012 in werking getreden art. 10:40 BW wordt de vraag of een echtgenoot voor een rechtshandeling de toestemming behoeft en wat de gevolgen zijn van het ontbreken van de toestemming, beheerst door het recht van het land waar de echtgenoot wiens toestemming is vereist ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling zijn gewone verblijfplaats heeft. Vóór 1 januari 2012 gold de regeling van art. 3 Wet conflictenrecht huwelijksbetrekkingen. Bij gebreke van enige aanwijzing van het tegendeel, wordt ervan uitgegaan dat de echtgenote van appellant ten tijde van het sluiten van de borgtochtovereenkomst haar gewone verblijfplaats in Nederland had, zodat art. 1:88 BW toepasselijk is. Volgens art. 13 van de Verordening 593/2008/EG (Rome IVO) kan bij een overeenkomst die is gesloten tussen personen die zich in eenzelfde land bevinden, een natuurlijk persoon die volgens het recht van dat land handelingsbevoegd is, zich slechts beroepen op het feit dat hij volgens het recht van een ander land handelingsonbevoegd is, indien de wederpartij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst deze onbevoegdheid kende of door nalatigheid niet kende. Via art. 10:11 lid 2 BW maakt deze regeling thans ook deel uit van het Nederlandse commune internationaal privaatrecht. Vóór de inwerkingtreding van Boek 10 BW bestond eenzelfde beschermingsregel: bescherming tegen niet gekende handelingsonbevoegdheid werd geboden door analoge toepassing van (het aan art. 13 van de Rome IVO vrijwel gelijkluidende) art. 11 EVO. als uitgangspunt geldt derhalve dat de bank tegen de beweerdelijke handelingsonbevoegdheid van appellant wordt beschermd, indien (i) appellant…

Verder lezen
Terug naar overzicht