Sign. - Borgtocht en vervalste handtekening


De stelplicht en bewijslast ter zake van haar goede trouw in de zin van art. 1:89 lid 2 BW ligt ex art. 150 Rv op de bank. Vraag is of de bank in de gegeven omstandigheden aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan door de – mede aan de echtgenote van X gerichte – brief met de akte van borgtocht naar het huisadres van X en de echtgenote te sturen en genoegen te nemen met het feit dat zij de stukken voorzien van de (naar achteraf gebleken vervalste) handtekening van de echtgenote terugontving. Op een professionele partij als de bank rust een nadere onderzoeksplicht in die zin dat zij moet verifiëren of de echtgenote daadwerkelijk akkoord ging met de borgstelling. Nu de bank enkel is afgegaan op een stuk dat buiten haar aanwezigheid is ondertekend, is niet voldaan aan het vereiste van art. 1:89 lid 2 BW. De echtgenote handelt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar door jegens de bank een beroep te doen op de vernietiging van de borgtochtovereenkomst. De stelling van de bank dat zij de gevolgen van het handelen van X moet dragen, aangezien zij er zelf voor heeft gekozen om het leven met hem te delen, staat haaks op de ratio van art. 1:88 BW. Wat betreft het verweer dat de vernietigingsvordering is verjaard, geldt dat op grond van art. 3:52 lid 1 aanhef sub d BW de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat de bevoegdheid om de vernietigingsgrond in te roepen aan degene wie deze bevoegdheid toekomt "ten dienste is komen te staan". In casu houdt dit in dat de verjaringstermijn is aangevangen…

Verder lezen
Terug naar overzicht