Sign. - Borgtocht of hoofdelijkheid


De bank was enkel bereid een krediet van een zekere grootte aan Visser te lenen, indien appellant als "medekredietnemer" de overeenkomst ondertekende. De bank heeft aldus de lening in naam aan Visser en appellant verstrekt, maar feitelijk alleen aan Visser. Door appellant naast Visser als (mede)kredietnemer in de overeenkomst op te nemen, werd appellant wel voor de gehele schuld hoofdelijk aansprakelijk. Nu de bank wist dat de schuld appellant niet aanging en dus dat appellant zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor de schuld van Visser, moet appellant als borg worden aangemerkt. Er is reeds sprake van borgtocht ongeacht of partijen die term of een andere hebben gebezigd, als iemand zich verbindt de schuld van een ander te voldoen en hij zich bij de schuldeiser aandient als iemand wie deze schuld zelf niet aangaat. Die situatie doet zich hier voor. De regeling van art. 1:88 BW, die beoogt echtgenoten in het belang van het gezin tegen elkaar te beschermen, kan niet worden ontgaan door hoofdelijkheid overeen te komen in een verhouding waarin materieel van borgtocht sprake is. Dat appellant in de overeenkomst wordt aangemerkt als (mede)kredietnemer maakt het vorenstaande niet anders, omdat het krediet uitsluitend ten goede is gekomen aan Visser, hetgeen ook de bedoeling van partijen was.

(Hof Amsterdam 3 april 2012, LJN BW9630, «JOR» 2012/302, m.nt. mr. R.I.V.F. Bertrams)

Verder lezen
Terug naar overzicht