Sign. - Borgtocht of hoofdelijkheid?


Van borgtocht in de zin van Titel 14 van Boek 7 BW is sprake als iemand zich tegenover een schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis van een derde. Een borg is dus iemand die slechts zekerheid aan een schuldeiser wil verschaffen en die in zijn relatie tot de hoofdschuldenaar niet draagplichtig is. Voor het antwoord op de vraag wanneer van borgtocht sprake is, is niet van doorslaggevend belang welke bewoordingen in de overeenkomst zijn gebruikt. Dat sprake is van hoofdelijkheid omdat dit uit de tekst van de kredietovereenkomst zou blijken, is dan ook onjuist. Daarbij komt dat de bedoelde bepaling is opgenomen onder het kopje "Zekerheden en verklaringen". Van belang is of de schuldeiser ten tijde van het aangaan van de overeenkomst wist dat slechts beoogd werd zekerheid te stellen. In het onderhavige geval is geen sprake van twee kredietnemers die beiden gebruik kunnen maken van de financiering, maar van één kredietnemer (failliet) waarbij de te verstrekken financiering alleen strekte ten behoeve van de bedrijfsvoering van failliet. Onder die omstandigheden dient gedaagde te worden aangemerkt als borg en de rechtsverhouding tussen de bank en gedaagde als een overeenkomst van borgtocht. (Rb. Dordrecht 8 september 2010, LJN BN6897, «JOR» 2011/238)

Verder lezen
Terug naar overzicht