Sign. - Borgtocht, toepasselijk recht


Op grond van art. 1:89 lid 2 BW is de rechtshandeling van de ene echtgenoot niet vernietigbaar als de wederpartij te goeder trouw was. Art. 1:88 en 1:89 BW hebben een dwingendrechtelijk karakter naar Nederlands recht. gezien deze strekking is deze regeling onderworpen aan de verwijzingsregel van art. 3 WCH, die bepaalt dat de Nederlandse bepalingen van toepassing zijn indien de echtgenoot wiens toestemming vereist is ten tijde van het aangaan van de borgtocht zijn/haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, wat in casu het geval is. gelet op de jurisprudentie (HR 13 januari 1989, NJ 1990, 268) behoefde de bank, mede gelet op het internationaal gezien exceptionele karakter van art. 1:88 en 1:89 BW, als Duitse bankinstelling niet te begrijpen dat gedaagde zich niet rechtsgeldig bij de borgtochtovereenkomst kon verbinden. Met de zekerheid die in het rechtsverkeer moet worden geëist, is niet verenigbaar dat een bank als de onderhavige, indien bij een te sluiten overeenkomst als de onderhavige een vreemdeling betrokken is, steeds moet nagaan of daardoor wellicht onbekende bepalingen van vreemd recht van toepassing worden, die aan rechtsgeldig contracteren in de weg kunnen staan en derhalve nageleefd moeten worden, eer de bank van de onaantastbaarheid van de overeenkomst zeker kan zijn. Van een bank/crediteur, in dit geval een in Berlijn gevestigde, niet internationaal opererende bank, kan niet gevergd worden steeds een onderzoek in te stellen naar een mogelijk, onder een ander recht geldend toestemmingsvereiste. Eventuele aanwezige kennis bij Deutsche Bank Ag kan in elk geval niet zonder meer worden toegerekend aan de bank…

Verder lezen
Terug naar overzicht