Sign. - Buitenlandse echtgenoten moesten Nederlandse pensioenrechten verevenen


M en V zijn in 1987 in Duitsland gehuwd. Voorafgaand aan hun huwelijk hebben zij huwelijkse voorwaarden (Ehevertrag) opgesteld, waarin – kort gezegd – iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten (Gütertrennung). M is tijdens het huwelijk een aantal jaren in Nederland werkzaam geweest en heeft aldaar pensioenrechten opgebouwd. Het huwelijk van partijen is op 3 mei 2007 ontbonden door echtscheiding. Naar aanleiding daarvan twisten M en V over de vraag of V krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) recht heeft op pensioenverevening. Volgens M hoeft verevening niet plaats te vinden, omdat partijen in hun huwelijkse voorwaarden, die ook zijn opgemaakt met het oog op een mogelijke echtscheiding, uitdrukkelijk anders hebben bepaald. M voert daartoe aan dat (1) het onredelijk is dat in 1987 de eis werd gesteld dat V toen al dacht aan de mogelijkheid van pensioenverevening en (2) dat de huwelijkse voorwaarden bepalen dat alle vermogensbestanddelen waarop M in de toekomst, onder welke titel dan ook, aanspraak zou krijgen buiten enige huwelijksgoederengemeenschap zouden vallen, met inbegrip van Einkünften.
Het hof volgt M niet in zijn stelling. Artikel 11 Wvps vindt toepassing op alle gevallen waarin vóór de inwerkingtreding van de Wvps (1 mei 1995) huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt waarin uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen is opgenomen en is daarom ook in dit geval van toepassing. Voor die toepassing is niet vereist dat V bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden al dacht aan de mogelijkheid van pensioenverevening. Voor toepassing is evenmin vereist dat het partijen betreft die naar Nederlands recht zijn gehuwd, op wier huwelijksvermogensregime het Nederlandse recht van toepassing is en…

Terug naar overzicht