Sign. - Causaal verband tussen schending zorgplicht en schade


De bank heeft aan appellant duidelijk gemaakt, vanaf het moment waarop deze te kennen gaf te willen gaan beleggen, dat zij bereid was met het oog op die beleggingen te adviseren, en dat zij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. In die situatie kan er, ook naar de inzichten die rond het jaar 2000 bestonden, geen redelijke twijfel over bestaan dat tussen partijen een verhouding is ontstaan die moet worden gekwalificeerd als een beleggingsadviesrelatie. Het had op de weg van de bank gelegen de gegevens ten aanzien van beleggingservaring en kennis van zaken van appellant, zijn financiële mogelijkheden en beleggingsdoeleinden te verzamelen die haar in staat zouden stellen daarop afgestemde adviezen te geven, en appellant zo nodig te kunnen waarschuwen dat zijn voorgenomen effectentransacties daarmee niet in overeenstemming zouden zijn. De bank heeft verzuimd een op deze gegevens berustend risicoprofiel (tijdig) vast te leggen. In zoverre heeft zij niet de zorgvuldigheid betracht die zij als financiële dienstverlener ten opzichte van appellant in acht diende te nemen, en is zij ook toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de met appellant aangegane overeenkomst. Deze tekortkoming brengt pas een gehoudenheid tot schadevergoeding mee indien een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade kan worden vastgesteld. De stelling dat het risicoprofiel van appellant, indien het tijdig was opgesteld, zou hebben uitgewezen dat hij verliezen op zijn beleggingen zoveel mogelijk wilde vermijden, is onvoldoende onderbouwd, en daarom kan geen oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het achterwege blijven van een adequaat risicoprofiel worden aangenomen. appellant wordt toegelaten tot het bewijs dat het tijdig opstellen van een risicoprofiel, op basis van voldoende relevante gegevens, ertoe zou…

Verder lezen
Terug naar overzicht