Sign. - Co-ouderschap: vrouw moet van Rotterdam naar Amsterdam verhuizen


Kort na de geboorte van hun dochter D, in 2009, beëindigen M en V hun affectieve relatie. In de zomer van 2010 verhuist V met D naar Rotterdam. Zelfstandig ondernemer M blijft in Amsterdam wonen. In november 2010 komen partijen een regeling overeen, op grond waarvan D gemiddeld drie dagen per week bij M verblijft en vier dagen per week bij V.
Partijen twisten over de hoofdverblijfplaats van D.
De rechtbank bepaalt de hoofdverblijfplaats van D bij M in Amsterdam, daartoe overwegende dat het ouderlijk gezag over D door partijen op gelijke wijze wordt verdeeld.
In hoger beroep stelt het hof vast dat M en V zeer betrokken zijn bij D en dat zij beiden voldoende in staat en toegerust zijn haar te verzorgen en op te voeden. Beide ouders zijn van mening dat co-ouderschap (ofwel een verdeling bij helfte), zoals dat thans plaatsvindt, het meest in het belang van D kan worden geacht. Evenwel staat vast dat het co-ouderschap, zoals partijen thans zijn overeengekomen, op het moment dat D de leeftijd van vier jaar zal bereiken en naar de basisschool zal gaan, niet te realiseren zal zijn. Niet ter discussie staat dat de contacten met de ouder bij wie D niet haar hoofdverblijfplaats heeft op dat moment (sterk) verminderd worden. Het hof is van oordeel dat D er het meest bij gebaat is als het co-ouderschap gehandhaafd blijft. De enige mogelijkheid die het hof daartoe ziet, is dat de hoofdverblijfplaats van D bij M in Amsterdam bepaald wordt. Het hof gaat er daarbij van uit dat V zal kunnen verhuizen naar Amsterdam. …

Terug naar overzicht