Sign. - Concurrente vordering en boedelvordering


De curator beroept zich in conventie op verrekening met zijn hierna te bespreken vordering op eiser. Dit beroep slaagt niet omdat de vordering van eiser op failliet waarvoor verificatie wordt verlangd een concurrente vordering betreft, terwijl de vordering van de curator op eiser een boedelvordering betreft. In reconventie staat vast dat schuldenaren van failliet in totaal € 62.129,21 hebben betaald op de giro- en bankrekening van eiser in conventie gedurende de surseance en later tijdens het faillissement van failliet. Dit bedrag had moeten worden betaald aan de boedel. Vanaf 8 juli 1999 was failliet op grond van art. 228 Fw onbevoegd enige daad van beheer of beschikking betreffende de boedel te verrichten zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders. Vanaf 7 januari 1999 volgt zijn onbevoegdheid tot beheer en beschikking over zijn vermogen uit art. 23 Fw. Anders gezegd: de inkomsten kwamen aan de boedel toe en failliet was niet bevoegd zijn debiteuren te instrueren te betalen op de giro- en bankrekening van zijn vader. Eiser wist dat zijn zoon in surseance verkeerde en later failliet is verklaard en hij wist of hoorde te bemerken dat zijn zoon betalingen liet verrichten op zijn giro- en bankrekeningen. Door toe te staan dat zijn zoon zich liet betalen op zijn bank- en girorekening, heeft eiser eraan bijgedragen dat er bedragen aan de boedel werden onthouden. Daarmee heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens de boedel: hij had behoren te beseffen dat dergelijke betalingen buiten de bewindvoerder c.q. curator om niet toegestaan waren en dat dit ertoe leidt dat de boedel hierdoor benadeeld kon worden. (Rb. Rotterdam 17 november 2010…

Verder lezen
Terug naar overzicht