Sign. - De kennelijke onredelijkheid van het ontslag en hoogte van de schadevergoeding dienen ex tunc te worden getoetst


Werknemer (58 jaar) is op 1 november 2000 in dienst getreden van werkgever in de functie van koeltechnicus. In deze functie diende hij een bedrijfsauto (bestelbus) te kunnen en te mogen besturen. Op 9 juni 2001 heeft werknemer een hartinfarct gekregen. In augustus 2001 is bij hem een zogenoemde cardiovester defibrillator ingebracht. Op grond van de Regeling eisen geschiktheid 2000 mocht werknemer daarna niet meer zelf de bedrijfsauto van werkgever besturen. Werkgever vraagt in mei 2003 toestemming aan het CWI om de arbeidsovereenkomst met werknemer te mogen opzeggen. Als reden wordt opgegeven dat werknemer zijn functie bij werkgever niet meer kon uitoefenen, omdat hij niet meer zelfstandig naar klanten kon rijden, terwijl re-integratie in ander passend werk in het bedrijf niet mogelijk was gebleken. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met toestemming van het CWI opgezegd tegen 30 november 2003. Met ingang van 18 december 2003 is werknemer door het UWV aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA. Na een proefplaatsing gedurende de maand januari 2004 is werknemer per 1 februari 2004 elders in dienst getreden. Dit dienstverband is op 29 december 2004 geëindigd. De werknemer start een kennelijk onredelijk ontslagprocedure. De kantonrechter 's-Hertogenbosch wijst de vorderingen van werknemer af. Werknemer komt in hoger beroep. Het hof 's-Hertogenbosch heeft in een tussenarrest geoordeeld dat het ontslag onder meer kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgencriterium. Daarbij heeft het hof de omstandigheid dat werknemer per 18 december 2003 als arbeidsgehandicapte is aangemerkt en is teruggevallen in inkomen, dat werknemer een beperkte periode ander werk heeft gevonden en dat het verbod tot beroepsmatig besturen van…

Verder lezen
Terug naar overzicht