Sign. - De reikwijdte van medezeggenschap na overgang van onderneming


In juni 2010 heeft het Hof van Justitie (het hof) zich in het UGT-FSP-arrest («JAR» 2010/217) voor het eerst uitgelaten over de uitleg van het begrip lsquoeenheid' in art. 6 lid 1 van de Richtlijn 2001/23 (de Richtlijn). Dit artikel richt zich op de gevolgen van dit arrest en de reikwijdte van medezeggenschap na overgang van onderneming. De auteur gaat eerst in op de inhoud van art. 6 van de Richtlijn en de wijze waarop dit artikel is geïmplementeerd in Nederland. Daarna bespreekt zij het arrest van het hof. Zij stelt daarna vast dat de (huidige) vormgeving van medezeggenschap na overgang van onderneming in de praktijk weinig problemen oplevert, aangezien de verkrijger invloed zal kunnen uitoefenen op de manier waarop de medezeggenschap wordt vormgegeven na de overgang. Toch zal de wet (de WOR) moeten aangepast, aldus de auteur, nu op grond van de huidige Nederlandse wet volledige toepassing van de Richtlijn niet verzekerd is, hetgeen strijdig is met de algemene beginselen van het Europese recht. Zij stelt voor een nieuw art. 35e toe te voegen aan de WOR, waarin ook art. 7:665a BW kan worden opgenomen. Tevens zal de wetgever de reikwijdte van het begrip lsquowerknemersvertegenwoordigers' in de zin van art. 2 lid 1 sub c van de Richtlijn in de Nederlandse context moeten verduidelijken. Niet alleen de medezeggenschapsrechten van de WOR, maar ook die van deelnemersraden en vakbonden moeten hierbij worden overwogen. De auteur concludeert dat in de praktijk de gevolgen van het arrest beperkt zullen blijven. De hoofdregel van art…

Verder lezen
Terug naar overzicht