Sign. - Discriminatie bij uitbetaling invaliditeitsuitkering?


Vanaf 17 december 1986 was werkneemster voltijds voor werkgever werkzaam. Per 6 december 2001 kwam zij overeenkomstig met haar werkgever een arbeidstijdverkorting overeen om zorg te dragen voor een kind van minder dan zes jaar. Dienovereenkomstig werkte zij tweederde van de normale arbeidstijd. Haar loon en de bijdragebetalingen van de werkgever en de werknemer aan het Spaanse nationale socialezekerheidsinstituut werden pro rata verminderd. Naar aanleiding van een ziekte is besloten dat de werkneemster recht heeft op een pensioen van 55% over een bepaald basisbedrag. Voor de berekening van het basisbedrag is uitgegaan van het totaal van de bijdragen die de werkgever daadwerkelijk heeft betaald van 1 november 1998 tot 30 april 2004. Werkneemster heeft beroep ingesteld tegen dit besluit op grond dat dit basisbedrag te laag is als gevolg van de vermindering van haar arbeidstijd en haar loon gedurende het tijdvak van het gedeeltelijke verlof toen zij voor haar kind zorgde. Zij meent dat deze berekeningsmethode in strijd is met het gemeenschapsrecht, waaronder Richtlijn 96/34 inzake ouderschapsverlof. De A-G wijst dit beroep van de hand. Deze richtlijn is namelijk niet van toepassing op socialezekerheidskwesties. Evenmin legt de richtlijn de lidstaten nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichting op en kan deze richtlijn dus voor de nationale rechter niet tegen de overheidsinstanties van de lidstaat worden ingeroepen. Tot slot is wetgeving op grond waarvan bij deeltijdarbeid een invaliditeitsuitkering pro rata temporis wordt berekend op basis van de daadwerkelijk op het werk bestede tijd niet in strijd met het gemeenschapsrecht, zelfs niet wanneer de reden voor de arbeidstijdverkorting ouderschapsverlof is. 

(Conclusie A-G E. Sharpston 4 december 2008, zaak C 537/07, Gómez-Limón…

Verder lezen
Terug naar overzicht