Sign. - Door curator geëxecuteerd vonnis vernietigd


De na de faillietverklaring geïncasseerde betalingen zijn onverschuldigd gedaan, maar er is geen sprake van onmiskenbare vergissingen zodat de curator niet verweten kan worden dat hij niet meewerkt aan het ongedaan maken van die vergissingen. In HR 7 juni 2002 («JOR» 2002/147) heeft de Hoge raad geoordeeld dat door de curator op basis van een nadien vernietigd vonnis afgedwongen betalingen voor de toepassing van de faillissementswet niet op een lijn te stellen zijn met betalingen als gevolg van een onmiskenbare vergissing. Vorderingen tot terugbetaling van dergelijke bedragen vormen concurrente boedelvorderingen. Dat hier sprake is van een executoriaal beslag op een arbeidsongeschiktheidsuitkering maakt dit niet anders, nu dergelijke uitkeringen vatbaar zijn voor beslag. De curator beschikte over een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis en hij mocht dat executeren. Ook indien zou moeten worden geoordeeld dat de curator in zijn hoedanigheid onder deze omstandigheden onrechtmatig jegens eiser zou hebben gehandeld door de executie niet op te schorten, levert dit niet anders dan een concurrente boedelvordering op. De voorzieningenrechter toetst vervolgens aan de hand van de Maclounorm (HR 19 april 1996, «JOR» 1996/48) of de curator persoonlijk kan worden aangesproken wegens een onjuiste taakuitoefening. De rechter moet de vraag beantwoorden of een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past naar haar aard terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag…

Verder lezen
Terug naar overzicht