Sign. - Essentiële informatie


Bij besluit van 11 april 2013 heeft de AFM aan Duitse Investerings Maatschappij Holland BV (DIM Holland) een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van art. 8.8 Whc gelezen in samenhang met de art. 6:193b lid 3 aanhef en onder a, en 6:193d lid 1 en 2 BW. In deze voorzieningenprocedure is uitsluitend in geding of de AFM tot de openbaarmaking van de last onder dwangsom kan overgaan. als vaststaand moet worden aangenomen dat DIM Holland zich verwijtbaar schuldig heeft gemaakt aan een misleidende handelspraktijk waarbij essentiële informatie in de zin van art. 6:193d lid 2 BW ten onrechte niet is verstrekt aan obligatiehouders. Volgens vaste jurisprudentie moet dan het uitgangspunt zijn dat de sanctie openbaar gemaakt wordt. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen DIM Holland heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat in dit geval aanleiding bestaat af te wijken van het uitgangspunt.
(Rb. Rotterdam 6 juni 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3466, «JOR» 2013/246, m.nt. mr. J.A. Voerman)

Verder lezen
Terug naar overzicht