Sign. - Exhibitieplicht in Palm Invest zaak


In de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2012 («JOR» 2013/60) is weliswaar beslist dat art. 843a Rv niet verlangt dat een procedure aanhangig is of zal worden gemaakt in Nederland, maar is geen uitsluitsel gegeven over de vraag wanneer een rechtmatig belang aanwezig is. Mede in het belang van degene van wie afgifte van bepaalde bescheiden wordt verlangd, moet degene die de afgifte verlangt duidelijk aangeven waarom hij afgifte van die bescheiden vordert. Nu het de curator erom gaat te kunnen nagaan of hij de bank aansprakelijk kan stellen voor bepaalde schade die de failliet uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad heeft geleden, is het aan de curator om aan te geven wat de aard van de wanprestatie of onrechtmatige daad is. Voor zover de curator optreedt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers (Peeters/ Gatzen) geldt hetzelfde. Art. 843a Rv geeft geen vrijbrief om onbeperkt afgifte van bescheiden te vorderen om aan de hand daarvan te onderzoeken of er wellicht aansprakelijkheid is voor schade die de curator in de boedel heeft aangetroffen. Tussen failliet en de bank bestond een beperkte bankrelatie. failliet hield een betaalrekening aan bij de bank op grond waarvan de bank het betalingsverkeer van failliet uitvoerde. In de rechtsverhouding tussen de bank en failliet heeft de bank geen toezichthoudende taak. Individuele cliënten van banken kunnen geen aanspraken aan eventuele schending van de normen van client due diligence ontlenen, nu deze regels niet zijn vastgesteld ter bescherming van deze individuele cliënten (art. 6:163 BW). De curator stelt bovendien niet waarom de bank zijns inziens eerder zou hebben besloten de kredietrelatie op te zeggen…

Verder lezen
Terug naar overzicht