Sign. - Fiscaal voordelige verdeling leidt niet tot wederzijdse dwaling


M is in gemeenschap van goederen gehuwd met V, uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren. V overlijdt op 11 november 2002. Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Daarom zijn M en de kinderen erfgenaam van het aandeel van V in de door het overlijden ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. M heeft een gesprek met een notaris, die een verdeling voorstelt 'als ware door haar een testament op het langstleven gemaakt'. M en de kinderen volgen het advies. Op 31 januari 2005 wordt de verdelingsakte gepasseerd, waarin – kort gezegd – is opgenomen dat alle activa en passiva van de nalatenschap van V aan M zijn toebedeeld en dat hij wegens overbedeling aan elk van zijn kinderen een bedrag in contanten groot €?23.975 schuldig is, waarover hij jaarlijks 6% rente verschuldigd is. Hoofdsom en rente zijn opeisbaar bij overlijden van M, alsmede bij zijn hertrouwen in gemeenschap van goederen.
In 2010 hertrouwt M – op huwelijkse voorwaarden – met de 13 jaar jongere X en stelt de kinderen voor de rente te verlagen. Ook stelt hij voor dat de vorderingen pas opeisbaar worden bij overlijden van X. De kinderen gaan hier niet mee akkoord. M gaat hierop naar de rechtbank. Die wijst de vordering af. In hoger beroep stelt M dat hij en de kinderen, bij het aangaan van de akte van verdeling, op grond van mededelingen van de notaris in de veronderstelling verkeerden dat het verplicht was om een rente van 6% overeen te komen. Bij een juiste voorstelling van zaken zou hij daar niet mee hebben ingestemd. Voormeld percentage is, als M eerder overlijdt…

Verder lezen
Terug naar overzicht