Sign. - Geen alleenstaande-ouderkorting door inwonende vriend van dochter


Iemand kan alleen aanspraak maken op de alleenstaande-ouderkorting als hij in het desbetreffende kalenderjaar geen partner heeft en een huishouding voert met een kind dat hij in belangrijke mate onderhoudt en op hetzelfde woonadres staat ingeschreven. Bovendien mag de belastingplichtige alleen een huishouding voeren met kinderen die aan het begin van het kalenderjaar jonger zijn dan achttien jaar (artikel 8.15 Wet IB 2001).
In de onderhavige zaak woonde een vrouw samen met haar dochters van 17 en 13 in een woonwagen. In 2006 stond gedurende meer dan zes maanden de vriend van de oudste dochter op hetzelfde adres ingeschreven. Voor de belastinginspecteur was dat voldoende om de moeder de alleenstaande-ouderkorting en de – toen nog geldende – aanvullende alleenstaande-ouderaftrek te weigeren.
Het hof oordeelde dat de moeder in 2006 niet voldeed aan de eis dat zij gedurende meer dan zes maanden een huishouding heeft gevoerd met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hadden bereikt (artikel 8.15 lid 1 sub c Wet IB 2001, tekst 2006).
De Hoge Raad stelt vast dat in de wetsgeschiedenis van de alleenstaande-oudertoeslag de opvatting tot uitdrukking is gebracht dat, ingeval meer personen gebruikmaken van een wooneenheid, slechts dan geen sprake is van een gezamenlijke huishouding indien tussen de samenwoners een op zuiver commerciële gronden stoelende betrekking bestaat. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van kostgangers, of indien de kosten van de huishouding op zakelijke basis worden gedeeld (zie HR 4 oktober 1989, BNB 1989/322). De parlementaire geschiedenis brengt volgens de Hoge Raad mee dat andere factoren die verband…

Terug naar overzicht