Sign. - Geen benadeling van schuldeisers


De verkoop door de schuldenaar met verrekening van de koopprijs met een opeisbare schuld aan de koper is onverplicht in de zin van art. 42 Fw tenzij er reeds een verplichting bestond om tot verkoop over te gaan (HR 18 december 1992, NJ 1993, 169). Van een dergelijke verplichting is niet gebleken. gedaagde heeft gesteld dat, indien de koopovereenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zij – wegens het uitblijven van betaling van de huurpenningen door failliet – de huurovereenkomst op dat moment zou hebben ontbonden, waarna ontruiming van het pand zou hebben plaatsgevonden. alsdan zou de inventaris zijn afgevoerd, waarbij deze zeker geen € 23.800 zou hebben opgeleverd. De curator heeft deze stelling niet, althans onvoldoende weersproken en aldus de stelling van gedaagde dat voortzetting van de huurovereenkomst – waartoe zij slechts bereid was als de koopovereenkomst zou worden gesloten – een gunstig effect heeft gehad op de schuldenpositie van failliet, onvoldoende gemotiveerd betwist. aldus heeft de curator ook zijn stelling dat er sprake is van benadeling van schuldeisers, in die zin dat één of meer schuldeisers werkelijk in hun verhaalsmogelijkheden blijken te zijn beperkt, onvoldoende feitelijk onderbouwd. In die beoordeling is betrokken dat, wanneer het verrichten van een handeling door de schuldenaar een noodzakelijke voorwaarde is voor een gedraging van degene met wie of te wiens behoeve de handeling werd verricht, de voor andere schuldeisers – of beter: de gezamenlijke schuldeisers – gunstige gevolgen voor die gedraging van de wederpartij niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beantwoording van de vraag of er benadeling is (HR 10 december 1976, NJ 1977, 617). In zoverre ten…

Verder lezen
Terug naar overzicht