Sign. - Geen faillissementsrechtelijke vordering


In beginsel wordt de bevoegdheid van de rechter in geschillen tussen inwoners van verschillende lidstaten bepaald aan de hand van de EEX-Vo. Dit is slechts anders indien het gaat om vorderingen die rechtsreeks uit het faillissement voortvloeien en geheel binnen het kader van het faillissement passen, zogenoemde "faillissementsrechtelijke" vorderingen (HvJ Eg 22 februari 1979, NJ 1979, 564 (gourdain)). Deze criteria zijn naderhand neergelegd in art. 25 lid 1 IVO waarin is bepaald dat "beslissingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluiten" worden erkend in andere lidstaten. Het Hof van Justitie heeft overwogen dat de Europese wetgever heeft willen kiezen voor een ruime opvatting van het begrip "burgerlijke en handelszaken" in art. 1 lid 1 EEX-Vo en dat de werkingssfeer van de IVO als gevolg hiervan niet ruim mag worden uitgelegd (HvJEg 10 september 2009, «JOR» 2011/341 (german graphics)). De vorderingen van de curatoren op gedaagde sub 3 (in de hoofdzaak) zijn niet gegrond op de Belgische of Nederlandse faillissementswet en, voor zover deze zijn gegrond op onrechtmatige daad (en op de algemene bepaling naar Belgisch recht over bestuurdersaansprakelijkheid), niet aan te merken als "faillissementsrechtelijke" vorderingen in de hiervoor bedoelde zin, zodat de bevoegdheid van de rechter moet worden beoordeeld aan de hand van de EEX-Vo. Aangezien de Rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de curatoren op gedaagden sub 1 en 2 (in de hoofdzaak), is zij op grond van art. 6 lid 1 van de EEX-Vo ook bevoegd kennis te nemen van de…

Verder lezen
Terug naar overzicht