Sign. - Geen (kennelijk) onbehoorlijke taakvervulling


Het hof is van oordeel dat De Wit en Krijgsman het wettelijk vermoeden dat hun onbehoorlijk bestuur de belangrijkste oorzaak is van het faillissement, hebben ontzenuwd. De curator heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling nog altijd mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Vraag is dan of Krijgsman en De Wit op grond van art. 2:9 BW gehouden zijn tot vergoeding van de schade die Canopus heeft geleden als gevolg van het onbehoorlijk vervullen van hun taak. Ter onderbouwing van deze vordering heeft de curator onder andere aangevoerd dat Krijgsman en De Wit bij het nemen van de beslissing om de licentieovereenkomst tussen COI en Canopus te ontbinden, hebben gehandeld in strijd met de statutaire bepalingen die Canopus beogen te beschermen (HR 29 november 2002, «JOR» 2003/2). De curator concludeert dat van een tegenstrijdig T belang sprake was bij de besluitvorming over de ontbinding van de licentie overeenkomst tussen COI en Canopus. Dit heeft, aldus de curator, tot gevolg dat Krijgsman en De Wit in beginsel aansprakelijk zijn op grond van art. 2:9 BW. Naar het oordeel van het hof heeft de curator evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou blijken dat Krijgsman zich niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen. Krijgsman en De Wit hebben er voldoende aan gedaan om de octrooien geëxploiteerd te krijgen en pas toen dat niet lukte en de activiteiten van Canopus bij gebrek aan financiële middelen zijn stilgelegd, is de licentieovereenkomst tussen COI en Canopus ontbonden. Bij die stand van zaken kan niet gezegd worden…

Verder lezen
Terug naar overzicht