Sign. - Geen rechtsgrond voor creditering


Kern van het geschil is de vraag of de creditering door de Stichting Wijs & Van Oostveen Beleggingsgiro op 11 september 2008 voor een bedrag van € 16.838,10 zonder rechtsgrond is gebeurd. De stichting heeft in eerste aanleg gesteld dat dit het geval is, aangezien deze creditering voorwaardelijk heeft plaatsgevonden, vooruitlopend op de afwikkeling van de verkoopopdracht die Van kuppevelt aan Wijs & Van Oostveen heeft verstrekt. Nu deze verkoopopdracht niet is afgewikkeld als gevolg van de surseance van betaling van lehman Brothers International (Europe), op 15 september 2008, heeft de creditering, volgens de stichting, zonder rechtsgrond plaatsgevonden en dient Van kuppevelt het daarmee corresponderende bedrag terug te betalen. Vast staat dat Van kuppevelt op 11 september 2008 de opdracht tot verkoop van de notes heeft gegeven. Ingevolge de voorwaarden gold dit tevens als opdracht aan de stichting om mee te werken aan de verkoop. Het betreft lastgeving. Op grond van art. 7:403 lid 2 BW rustte op de stichting de verplichting verantwoording af te leggen over de wijze waarop de opdracht was uitgevoerd en rekening te doen van de in het kader van de uitvoering van de opdracht ten behoeve van Van kuppevelt ontvangen gelden, om deze vervolgens af te dragen. Zolang Wijs & Van Oostveen en de stichting echter geen betaling hadden ontvangen, waren zij op grond van de algemene bepalingen ter zake lastgeving niet verplicht alvast tot creditering over te gaan. De creditering heeft dus onverschuldigd plaatsgevonden en Van kuppevelt moet het gecrediteerde bedrag terugbetalen. (Hof Arnhem 12 juli 2011, «JOR» 2011/296, m.nt. mr. F.P.…

Verder lezen
Terug naar overzicht