Naar de inhoud

Sign. - Geen sprake van opvolgend werkgeverschap, dan wel vereenzelviging van werkgevers. Ook geen sprake van gebondenheid aan cao

Werknemer is op 1 juni 1990 in dienst getreden bij RVA. Tot 1 januari 1999 was de heer X directeur van RVA. De aandeelhouder was Davi Beheer. Na de scheiding van X en zijn vrouw, is Davi opgesplitst en zijn twee nieuwe vennootschappen opgericht: Interieurgroep (met aandeelhouder X) en Traditions Beheer en Management B.V. (met de ex-vrouw van X als aandeelhouder). RVA is onder Management B.V. komen te vallen en kreeg de nieuwe naam Traditions. X heeft in 2000 een nieuwe vennootschap opgericht, De Kabels. X heeft werknemer toen benaderd bij hem in dienst te treden. In 2005 is al het personeel van De Kabels ondergebracht bij Interieurgroep. In april 2011 is Interieurgroep failliet gegaan. Werknemer vordert in deze procedure primair nakoming van de pensioentoezegging bij RVA en stelt zich op het standpunt dat in feite sprake is van opvolgend werkgeverschap. Subsidiair vordert hij nakoming van de pensioentoezegging voortvloeiende uit de CAO Groothandel in Textielgoederen. Het Hof oordeelt dat De Kabels niet kan worden aangemerkt als rechtsopvolger van de vorige werkgever van werknemer. Aandeelhouderschap kan niet worden vereenzelvigd met werkgeverschap. Werknemer was tot 1 september 2000 in dienst bij een rechtsopvolger van zijn oorspronkelijke werkgever RVA, Traditions. Gesteld noch gebleken is dat De Kabels aangemerkt moet worden als rechtsopvolger van Traditions. Integendeel. De werknemer heeft zelf ontslag genomen bij Traditions. Hieraan voorafgaand, had hij behoefte aan zekerheid over indiensttreding bij De Kabels. Hij heeft dan ook om een aanstellingsbrief gevraagd. Dit was niet nodig geweest als De Kabels als rechtsopvolger van Traditions kon worden aangemerkt. Nu De Kabels geen, …