Sign. - Geen toestand van te hebben opgehouden te betalen


Art. 6 lid 3 Fw bepaalt dat een faillissement op verzoek van een schuldeiser wordt uitgesproken indien aan twee voorwaarden is voldaan: er moet summierlijk blijken van het bestaan van een vorderingsrecht van verzoeker en er moet summierlijk blijken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat gerekestreerde in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Voor deze tweede voorwaarde moet in ieder geval sprake zijn van pluraliteit van schuldeisers. is van pluraliteit gebleken, dan moet vervolgens worden onderzocht of hierdoor de toestand is ontstaan dat gerekwestreerde heeft opgehouden te betalen. Op basis van de thans beschikbare informatie kan dit laatste onvoldoende worden beoordeeld. gerekwestreerde is op dit moment niet in staat haar verplichting jegens verzoeker te voldoen en voor de continuïteit van haar onderneming is zij aangewezen op een verkoop daarvan aan een derde. Zonder een ingrijpende reorganisatie is een faillissement onvermijdelijk. Dit wijst op het bestaan van de bedoelde toestand. Daar staat echter tegenover dat de lopende verplichtingen al vanaf 2008 kunnen worden nagekomen en de onderneming – behoudens het probleem met de niet betalende debiteur – in financieel opzicht gezond is. Uit de langlopende onderhandelingen tussen gerekwestreerde en Ti, waar ook verzoeker onderdeel van is (geweest), blijkt dat een dergelijke reorganisatie door betrokkenen mogelijk wordt/werd geacht. De voorzieningenrechter heeft in dit kader bepaald dat partijen tot uiterlijk 25 april 2011 zouden moeten dooronderhandelen. Het uitgangspunt van de reorganisatie is dat gerekwestreerde schuldenvrij wordt, zodat daarin ook wordt voorzien in een voldoening of (gedeeltelijke) kwijtschelding van de vordering van verzoeker. gelet op de al geruime tijd lopende onderhandelingen, kan niet zonder meer worden vastgesteld dat gerekwestreerde…

Verder lezen
Terug naar overzicht