Sign. - Geen wetenschap van benadeling


Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat sprake is van een onverplicht verrichte rechtshandeling. Zij verschillen wel van mening over de vraag in welke rechtshandeling het onverplichte karakter is gelegen. Partijen waren in eerste aanleg verdeeld over de vraag of het onverplichte karakter is gelegen in de verpanding zelf (standpunt curator) of in het aangaan van een tot die verpanding verplichtende overeenkomst (standpunt Ontvanger). Het maakt verschil welk standpunt wordt gevolgd, nu de keuze tussen deze standpunten gevolgen heeft voor de vraag welk peilmoment van belang is voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het vereiste van wetenschap van benadeling. Volgens de curator zou uit de elektronische agenda van de heer Verheijen (optredend namens de Ontvanger) blijken dat deze persoon pas op 5 oktober 2004 met de heer Brander (optredend namens BBN en BBO) heeft gesproken. De Ontvanger heeft dit betwist. Hij heeft gesteld dat er in augustus/september 2004 een mondelinge (vervolg) overeenkomst is gesloten die inhield dat de Ontvanger alleen bereid zou zijn om niet op dat moment in te vorderen, indien er door de bouwbedrijven zekerheid in de vorm van de verpanding van de vorderingen zou worden gesteld. De Ontvanger heeft evenwel nagelaten te vermelden op welk moment, waar en tussen welke personen deze overeenkomst precies tot stand is gekomen. Aldus heeft de Ontvanger voormelde stelling van de curator onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat het peilmoment 5 oktober 2004 is. De curator heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Ontvanger en mede gelet op de ervaringsregel dat in het algemeen geen vorderingen zonder tegenprestatie…

Verder lezen
Terug naar overzicht