Sign. - Geoorloofde uitkeringen in de zin van art. 2:216 van het Burgerlijk Wetboek


De schrijver bespreekt de nieuwe regeling van art. 2:216 BW die ziet op de geoorloofdheid van uitkeringen in het licht van de uitkeringstest. Met de invoering van de flex-bv is het karakter van het begrip 'vrij of uitkeerbaar vermogen' als maatstaf voor uitkeringen gewijzigd. De thans te hanteren maatstaf 'het kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare vennootschapsschulden na uitkering', blijkt als open norm voor onduidelijkheden te zorgen. Reden voor de schrijver om dieper op deze maatstaf in te gaan. Hij bespreekt wat onder uitkeringen in de zin van titel 5 van Boek 2 BW verstaan moet worden, gaat in op de uitkeringstest, de door de wetgever gegeven handvatten ter uitvoering van de test en de bruikbaarheid van deze handvatten. Ten slotte behandelt hij de mogelijkheid tot het doen van uitkeringen bij een negatief eigen vermogen.
(V&O 2013, nr. 4, p. 66, mr. E. Holtman)

 

Verder lezen
Terug naar overzicht