Sign. - Gezagskwestie


In eerste aanleg heeft de vader primair verzocht hem alleen met het gezag te belasten. De moeder oefende het gezag op dat moment alleen uit. Ingevolge artikel 1:253c lid 3 BW wordt, wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. De rechtbank is aan dat verzoek voorbij gegaan en heeft het subsidiaire verzoek van de vader, er toe strekkende beide ouders met het gezag te belasten, toegewezen. In het hoger beroep wenst de vader alsnog toewijzing van zijn primaire verzoek, in eerste aanleg gedaan.
Aan de hand van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat het in het belang van de minderjarige wenselijk is om de vader alleen met het gezag over de minderjarige te belasten. Het hof overweegt daartoe dat de vader de minderjarige al [sinds 2009] feitelijk verzorgt. De moeder is in die periode niet betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de moeder, in de tijd dat zij de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed, niet consistent is geweest in haar beslissingen (...). Deze houding van de moeder, die erop neer is gekomen dat zij niet consistent beschikbaar heeft kunnen zijn voor de minderjarige, heeft zijn weerslag gehad op de minderjarige en zijn verhouding met haar. De toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vader zal naar het oordeel van het hof leiden tot meer rust en duidelijkheid voor…

Verder lezen
Terug naar overzicht