Sign. - Gezamenlijke huishouding?


V is enkele jaren getrouwd geweest met M, uit welk huwelijk kinderen zijn geboren. Nadat hun huwelijk op 29 november 1999 ontbonden is, wonen beide voormalige echtelieden op twee verschillende adressen in dezelfde gemeente. V heeft enkele jaren gewerkt, maar leeft momenteel van een WAO-uitkering. M heeft over een aantal perioden bijstand ontvangen. Om zijn kinderen te bezoeken, verblijft M vaak en regelmatig – overdag – op het adres van V. Dit doet het vermoeden rijzen van het bestaan van een gezamenlijke huishouding, waarna de gemeente een onderzoek laat instellen. Het onderzoek leidt uiteindelijk tot het terugvorderen van een aanzienlijk bedrag aan (vermeend ten onrechte verleende) bijstand van M én van V (als hoofdelijk aansprakelijke). V is het hier niet mee eens en start een procedure. Na uitspraak van de rechtbank is het terug te vorderen bedrag verlaagd, maar V stelt toch hoger beroep in. De Centrale Raad van Beroep oordeelt – anders dan de rechtbank – dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. Naar het oordeel van de Raad is met de verklaringen van M en de buurtbewoners weliswaar komen vast te staan dat M overdag veel naar het adres van V kwam om zijn kinderen te zien, maar daarmee heeft de gemeente niet aannemelijk gemaakt dat M daar ook zijn hoofdverblijf had. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

(Centrale Raad van Beroep 27 december 2011, LJN BV0110)

Terug naar overzicht