Sign. - Grensoverschrijdende omzetting en de vrijheid van vestiging ex art. 49 en 54 WVEU


Schutte-Veenstra bespreekt het VALE-arrest (HvJEU 12 juli 2012, «JOR» 2012/285), waarin het Hof van Justitie een aantal na het wijzen van het Cartesio-arrest gerezen vragen over grensoverschrijdende omzetting beantwoordt. Het hof oordeelt het strijdig met art. 49 WVEU dat een lidstaat van vestiging die een interne omzettingsregeling kent, in de regel belet dat een buitenlandse EU-vennootschap zich omzet in een vergelijkbare rechtsvorm van deze lidstaat. Deze beperking van het vestigingsrecht kan niet worden gerechtvaardigd op grond van de ' rule of reason ', nu een compleet verbod van een inbound omzetting haaks staat op het vestigingsrecht. De schrijfster wijst erop dat het nog maar de vraag is of in de VALE casus daadwerkelijk sprake is van een grensoverschrijdende omzetting, nu een dergelijke omzetting het bestaan van de vennootschap niet eindigt. In het feitencomplex dat tot het VALE-arrest heeft geleid was juist geen sprake van een juridische en economische continuïteit tussen de rechtsvoorgangster en de rechtsopvolgster. Dit leidt tot een aantal onduidelijkheden, die de noodzaak van een richtlijn met betrekking tot grensoverschrijdende omzetting aantonen. De voorwaarden voor een grensoverschrijdende omzetting moeten, in het belang van de rechtszekerheid, duidelijk worden vastgelegd.

(Ondernemingsrecht 2012, 111, mr. dr. J.N. Schutte-Veenstra)

Verder lezen
Terug naar overzicht