Sign. - Grond matiging boete


Ter beoordeling staat of de rechtbank terecht de beslissing op bezwaar van 29 juli 2010 heeft vernietigd wat betreft de hoogte van de boete. Het College is van oordeel dat de AFM bepaalde door X genoemde omstandigheden in het oordeel over de verwijtbaarheid had moeten betrekken. Met name de omstandigheid dat niet is gebleken dat consumenten door het handelen zonder vergunning zijn benadeeld en de omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat X het toezicht en de vergunningplicht moedwillig heeft ontdoken zijn, zoals het College bekend is uit soortgelijke zaken, aspecten die de AFM mede bepalend acht om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen en als gevolg daarvan de boete te matigen. De rechtbank is ten onrechte hieraan voorbijgegaan. De constatering dat de motivering ten aanzien van de verwijtbaarheid in het besluit van 29 juli 2010 gebreken vertoont, leidt het College echter niet tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. In de hierboven genoemde soortgelijke zaken heeft het aannemen van verminderde verwijtbaarheid geleid tot het matigen van de boete, waarna verdere matiging op grond van draagkracht niet meer in beeld kwam. Het College heeft in bedoelde zaken een boete tot dat bedrag in beginsel als een passende sanctie voor dergelijke gevallen aanvaard. In het geval van X heeft de AFM een identieke matiging toegepast, zij het uitsluitend op overwegingen die haar draagkracht betreffen. Het College acht een boete van € 24.000 in de omstandigheden van het geval aanvaardbaar.

(CBb 7 mei 2013, LJN CA1184, «JOR» 2013/210)

Verder lezen
Terug naar overzicht