Sign. - Grootouders geen family life met kleinkinderen


Ter toetsing van de ontvankelijkheid van de grootouders in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ligt de vraag voor of de grootouders in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarigen staan. Op grond van vaste jurisprudentie betekent dit dat de grootouders, naast het zijn van grootouders, bijkomende omstandigheden moeten stellen waaruit voortvloeit dat er tussen hen en de minderjarigen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat of een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM. 
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat, hoewel er sprake is van een goede band tussen de grootouders en de minderjarigen, deze niet kan worden aangemerkt als een 'nauwe persoonlijke betrekking' dan wel als 'family life' in de zin van artikel 8 EVRM. Niet gebleken is dat de contacten tussen de grootouders en de minderjarigen qua frequentie en vorm meer hebben omvat dan het normale grootouder-kindcontact. De minderjarigen hebben weliswaar in 2008 tien maanden bij de grootouders verbleven maar dit was samen met de moeder, waarbij de moeder steeds het merendeel van de zorg voor de minderjarigen heeft gehad.

(Rechtbank Roermond 9 november 2011, LJN BU2973)

Terug naar overzicht