Sign. - Heffing kosten financieel toezicht AFM


Het betoog van Springeling dat aan haar ten onrechte kosten van doorlopend toezicht uit hoofde van de Wta in rekening zijn gebracht omdat zij al vanaf januari 2009 feitelijk niet meer actief was, faalt. De rechtbank overweegt daartoe dat de verschuldigdheid van toezichtkosten als zodanig verbonden is aan de vergunning en niet aan de (huidige) vergunningactiviteiten. De omzet over het voorgaande jaar is bepalend voor de vraag of en welke heffing is verschuldigd bovenop het basisbedrag. De rechtbank is verder van oordeel dat de door de minister vastgestelde heffing op grond van de Wta, mede gelet op de tariefsdifferentiatie naar categorieën accountantsorganisaties, niet onredelijk hoog is en dat de regelingen verbindend zijn. In deze uitspraak kan annotator Doets zich beter vinden dan in de kwestie onder «JOR» 2012/288, al valt ook hier op (de hoogte van) de heffing af te dingen. Hij wijst verder op de gevolgen van de wijziging van de heffingssystematiek met ingang van 2013.
(Rb. Rotterdam 16 mei 2012, «JOR» 2012/289, m.nt. mr. C.A. Doets, tevens behorend bij «JOR» 2012/288)

Verder lezen
Terug naar overzicht