Sign. - Het is de werkgever, na een rechtmatige opzegging door de werknemer, niet toegestaan minuren van een werknemer terug te vorderen bij einde dienstverband


Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Bij het einde van het dienstverband had werknemer 113 minuren. Bij de eindafrekening heeft werkgever terzake van deze minuren een bedrag ingehouden. Werknemer stelt dat deze minuren ten onrechte zijn ingehouden en hij vordert het bedrag terug. Hij voert aan dat de minuren zijn ontstaan doordat binnen de organisatie (een tuinbouwbedrijf) onvoldoende werk voorhanden was om hem het overeengekomen aantal uren te laten werken; deze omstandigheid komt voor rekening van werkgever, aldus werknemer. Volgens werkgever brengt de aard van zijn bedrijf met zich mee dat het in de zomermaanden druk is en in de wintermaanden een stuk rustiger. Plusuren die worden opgebouwd in de zomermaanden worden gecompenseerd door minuren die ontstaan in de winter. Werknemer heeft tegen deze systematiek gedurende zijn twaalfjarig dienstverband nooit bezwaar gemaakt, aldus werkgever. De kantonrechter oordeelt dat werknemer er terecht op heeft gewezen dat het gebrek aan arbeid voor risico van de werkgever behoort te komen. In dat geval heeft werknemer recht op loon over de wél overeengekomen, maar niet-gewerkte uren art. 7:628 lid 1 BW. Oftewel: werknemer heeft recht op loon over de minuren. Voor de tegenhanger van de minuren - de plusuren - kan betaling of een ‘tijd voor tijd'-regeling gelden. Bij deze laatste regeling geldt dat de werknemer een extra gewerkt uur op een later moment als vrije tijd kan opnemen. Compensatie van onbetaalde plusuren met wel betaalde minuren ligt dan ook voor de hand, zo oordeelt de kantonrechter. Hieruit volgt, aldus de kantonrechter, dat een werkgever in principe nooit minuren in geld van een werknemer kan terugvorderen. Immers…

Verder lezen
Terug naar overzicht