Sign. - Hoe moet een woning worden verrekend bij een periodiek verrekenbeding?


M en V zijn in 1987 gehuwd op huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. In het kader van hun echtscheiding twisten M en V, die tijdens hun huwelijk nimmer uitvoering hebben gegeven aan het verrekenbeding, over de vraag of (en zo ja, in hoeverre) de waarde van de woning die M vóór het huwelijk in eigendom had verworven, alsnog moet worden verrekend. In hoger beroep overweegt het hof onder meer dat op grond van de vaststaande feiten het vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW (dat de woning geheel is gefinancierd uit hetgeen verrekend had moeten worden) is ontzenuwd. Echter, omdat M ten laste van te verrekenen inkomsten heeft afgelost op de schuld die hij is aangegaan ter verwerving van de woning, is in dit geval wel artikel 1:136 lid 1 tweede volzin BW van toepassing en moet het hof beoordelen voor welk deel de woning tot het te verrekenen vermogen behoort.
V stelt dat er tijdens het verrekeningstijdvak verbouwingen aan de woning hebben plaatsgehad die zijn betaald uit te verrekenen inkomsten. Volgens het hof rust op V de bewijslast van haar stellingen omtrent
(1) het bestaan van deze verbouwingen,
(2) de kosten daarvan en
(3) de waardevermeerdering van de woning.
Indien zij daarin slaagt, geldt – op grond van het vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW – dat de verbouwingen zijn betaald uit hetgeen had moeten worden verrekend, behoudens tegenbewijs door M. Het hof is evenwel van oordeel dat V onvoldoende heeft aangetoond dat de verbouwingen zijn gefinancierd met te verrekenen inkomsten en/of dat de verbouwingen tot een waardevermeerdering…

Terug naar overzicht