Sign. - Hof Amsterdam 21 april 2009


Het geschil ziet op de vraag of, en zo ja in welke mate, het aantal uren dat voor een werknemer met een voltijds dienstverband uitkomt boven de veertig uren per week met inachtneming van de toeslag voor overuren in geld moeten worden uitbetaald. De werkgever stelt dat alle overuren moet worden opgenomen in een zogeheten tijd-voor-tijd-regeling. Hierdoor worden de uren gecompenseerd met de uren die in minder drukke periodes niet wordt gewerkt. De werknemer stelt daarentegen dat de tijd-voor-tijd-regeling slechts geldt voor de uren die zijn gewerkt tijdens rustdagen, zijnde twee vaste vrije dagen in de week. Hieruit volgt dat in een reguliere week de uren die uitstijgen boven het normale aantal altijd uitbetaald moeten worden met toeslag. Het hof stelt vast dat partijen niet van mening verschillen over het aantal gewerkte uren. Uit diverse artikel uit de CAO Rijdend personeel blijkt dat overuren in de tijd-voor-tijd-regeling dienen te worden betrokken. Tevens is het rechtsgevolg van de vordering van de werknemer niet aannemelijk te achten. Dit zou erop neerkomen dat uren gewerkt boven de normale werkweek van veertig uren altijd uitbetaald moeten worden met een toeslag, terwijl de uren die minder gewerkt zijn dan de normale werkweek eveneens voor rekening van de werkgever komen. De vordering van de maandelijkse consumptievergoeding krachtens de cao is ook opgenomen in de arbeidsovereenkomst en wordt toegewezen. Echter, het beroep op verjaring door de werkgever van een gedeelte van de vordering slaagt. De stelling dat de verjaringstermijn pas aanvangt nadat de onregelmatigheid de schuldeiser bekend is geworden en de eisen van goed werkgeverschap in de weg…

Verder lezen
Terug naar overzicht