Sign. - Hof Amsterdam 8 juni 2010, LJN BM9545


Op grond van de CAO voor KLM-vliegers gaat een vlieger op zijn 56e verjaardag van rechtswege met pensioen. Onder bepaalde voorwaarden wordt het pensioen uitgesteld tot uiterlijk de 60-jarige leeftijd. Appellanten zijn verkeersvliegers bij KLM en vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat deze regeling nietig is wegens strijd met de WGBLA.
De met de onderhavige cao-regeling te verwezenlijken doelen, te weten het bereiken van een regelmatige en voorspelbare doorstroming van verkeersvliegers tussen de rangen, kostenbeheersing en een evenwichtige personeelsopbouw (waaronder begrepen een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheidskansen binnen de beroepsgroep), worden door het hof aangemerkt als legitieme doelen. Het invoeren en handhaven van een pensioenleeftijd van 56 jaar met de mogelijkheid de pensioenleeftijd onder voorwaarden uit te stellen tot (uiterlijk) het bereiken van de leeftijd van 60 jaar vormt voorts een passend middel ter verwezenlijking van deze doelen. Genoegzaam is volgens het hof aangetoond dat het loslaten van deze verplichte pensioenleeftijd zou leiden tot een zodanige stagnatie van de doorstroming dat deze doelen niet meer gerealiseerd zouden kunnen worden. De regeling kan bovendien niet als onevenredig aan de daarmee te bereiken doelen worden aangemerkt. Het hof hecht bij zijn beoordeling telkens grote waarde aan de omstandigheid dat het verplichte pensioenontslag een groot draagvlak heeft onder de verkeersvliegers en binnen de KLM-organisatie. Het leeftijdsonderscheid is aldus objectief gerechtvaardigd.

Verder lezen
Terug naar overzicht