Sign. - Hoge Raad vernietigt uitspraak inzake artikel 10 SW bij ik-opa-testament


Opa is overleden in 1998. Bij testament heeft hij zijn zoon benoemd tot enig erfgenaam, onder de last 'aan ieder van zijn kinderen toe te kennen, uit te betalen na het overlijden van hemzelf en van zijn echtgenote, een gedeelte van zijn erfdeel en wel zodanig berekend dat de top van de contante waarde van de verkrijging van mijn kleinkinderen met een niet hoger percentage wordt belast dan de top van de verkrijging van mijn erfgenaam.' Op grond van dit testament heeft de zoon een niet-opeisbare schuld van € 500.280 aan zijn eigen kinderen (X c.s.). Nadat de zoon is overleden, overlijdt in 2006 zijn echtgenote waarmee hij was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De belastinginspecteur heeft ter zake van de nalatenschap van de echtgenote gesteld dat de helft van de ik-opa-vordering bij X c.s. is belast krachtens artikel 10 SW, omdat het testament van opa geen uitsluitingsclausule bevatte waardoor de vordering van X c.s. voor de helft ten laste van hun moeder is gekomen.
De rechtbank oordeelde dat artikel 10 SW hier niet geldt, omdat de moeder van X c.s. geen partij was bij de rechtshandeling die verband hield met de vordering van X c.s.
Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de inspecteur in het gelijkgesteld. Volgens het hof brengt de regeling van de algehele gemeenschap van goederen mee dat ook moeder wordt geacht partij te zijn geweest bij de rechtshandeling.
In cassatie vernietigt de Hoge Raad de uitspraak van het hof. Volgens de Hoge Raad is in de onderhavige casus…

Terug naar overzicht