Sign. - Hoofdelijke aansprakelijkheid, ontbinding en 403-verklaring


Ingevolge de aansprakelijkheidsverklaring van art. 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW wordt de moedervennootschap hoofdelijk verbonden voor de uit rechtshandelingen van de dochtervennootschap voortvloeiende schulden. Hoofdelijke aansprakelijkheid kan, ook in het kader van de bepaling van art. 2:403 BW, niet op één lijn worden gesteld met borgtocht, waarbij de schuldeiser eerst de dochtervennootschap zou moeten aanspreken conform het subsidiariteitsbeginsel van art. 7:855 BW. De hoofdelijkheid brengt mee dat de schuldeiser naar vrije keuze zowel de dochtervennootschap als de moedervennootschap tot nakoming voor het geheel kan aanspreken, met dien verstande dat nakoming door een van hen ook de andere medeschuldenaar bevrijdt (art. 6:7 BW). De omstandigheid dat de schuldeiser met één der hoofdelijk verbonden schuldenaren een dading aangaat, dat schuldeiser en die schuldenaar elkander in het kader van die dading over en weer finale kwijting verlenen en dat de schuldeiser daarmee afstand heeft gedaan van het vorderingsrecht jegens die schuldenaar, betekent derhalve niet dat door de schuldeiser mede afstand is gedaan van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijk verbonden schuldenaar en laatstgenoemde aldus uit zijn verbintenis jegens de schuldeiser zou zijn bevrijd. De dading heeft slechts tot gevolg dat de schuld is verminderd met het bedrag waarvoor de schuldeiser en de hoofdelijk verbonden schuldenaar de dading hebben getroffen. Voor aansprakelijkheid onder de 403-verklaring geldt dat niet alleen sprake hoeft te zijn van schulden die rechtstreeks uit een rechtshandeling voortvloeien. Uit de bewoordingen "uit de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden" blijkt dat daaronder bijvoorbeeld ook vallen schadevergoedingen wegens vernietiging en ontbinding van overeenkomsten. De rechtsgevolgen die aan de ontbinding van een overeenkomst zijn verbonden, zoals…

Verder lezen
Terug naar overzicht