Sign. - HR 15 april 2011, LJN BP6601 en «JAR» 2011/136


Verschillende stichtingen (de Fondsen) vorderen een verklaring voor recht dat werkgever (een uitleen-/detacheringsbedrijf ) met ingang van 1 januari 2001 krachtens de Wet Bpf 2000 onder de werkingssfeer van de Verplichtstellingsbeschikking valt én onder de werkingssfeer van een aantal AVV-cao's uit die bedrijfstak. De Hoge Raad oordeelt dat voor het antwoord op de vraag of de werkgever onder de werkingssfeer van de desbetreffende cao's valt de verschillende werkingssfeerbepalingen in onderling verband op dezelfde manier moeten worden uitgelegd. Bij de uitleg van die bepalingen komt het aan op de tekst, gelezen in het licht van de gehele regeling, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort. Het hof heeft volgens de Hoge Raad de in de betreffende cao's vermelde maatstaf voor de werkingssfeer ndash te weten, of het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers betrokken bij werkzaamheden zoals uitgeoefend in het elektrotechnisch bedrijf groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers betrokken bij werkzaamheden uitgeoefend in andere bedrijfstakken ndash miskent door in plaats daarvan beslissend te achten waar de werknemers van de werkgever feitelijk werkzaam zijn. Ten aanzien van de uitleg van de werkingssfeer van de Verplichtstellingsbeschikking oordeelt de Hoge Raad dat het hof heeft miskend dat een onderneming als die van werkgever, waarvan de bedrijfsactiviteiten uitsluitend bestaan uit het ter beschikking stellen van bij haar in dienst zijnde arbeidskrachten aanderden voor werkzaamheden als omschreven in de Verplichtstellingsbeschikking, in beginsel onder de werkingssfeer van de Verplichtstellingsbeschikking valt. Dit is niet anders wanneer de werknemers feitelijk werkzaam zijn in ondernemingen die zelf niet vallen binnen de werkingssfeer van de Verplichtstellingsbeschikking, aldus de Hoge Raad.

Verder lezen
Terug naar overzicht