Sign. - HR komt terug van toedoencriterium


Kern van het arrest is de vraag of de schadevergoedingsvordering van de verhuurder, vanwege bij oplevering door de curator gebleken schade aan het gehuurde, een boedelschuld is. Volgens de verhuurder heeft de huurder de schade veroorzaakt en gaat het om opleveringsschade die op grond van art. 7:224 BW en de algemene bepalingen van de huurovereenkomst dient te worden vergoed. De schadevergoedingsvordering is volgens de verhuurder een boedelschuld, omdat de verplichting is ontstaan door toedoen van de curator, namelijk opzegging van de huurovereenkomst. De Hoge Raad overweegt dat op grond van de faillissementswet boedelschulden slechts die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel. Dit kan zijn hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan of omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbinding of verplichting. Uit het uitgangspunt dat het faillissement geen invloed heeft op wederkerige overeenkomsten volgt dat de curator niet bevoegd is om een overeenkomst op te zeggen, tenzij de wet of de overeenkomst hem daartoe bevoegd maakt. De verplichting om op grond van de bepalingen van de huurovereenkomst dan wel art. 7:224 BW de schade aan het gehuurde bij het einde van de huur te herstellen dan wel te vergoeden, is een uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenis van de schuldenaar, die bij het einde van de huur ontstaat of opeisbaar wordt. Die verbintenis is geen boedelschuld, maar een vordering op de schuldenaar nu daarbij niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van een boedelschuld. Dat is slechts anders indien de schade is…

Verder lezen
Terug naar overzicht