Naar de inhoud

Sign. - Inlichtingenvordering – last onder dwangsom (CBb 21 september 2015, ECLI:NL:CBB:2015:288, «JOR» 2015/302, m.nt. mr. S.M.C. Nuijten, tevens behorend bij «JOR» 2015/301)

In art. 50 lid 2 aanhef en onder a MiFID is bepaald dat de bevoegde autoriteiten ten minste over de bevoegdheid moeten beschikken om toegang te verkrijgen tot ieder document, in enigerlei vorm, en een afschrift daarvan te ontvangen. Naar het oordeel van het College ligt in de bevoegdheid om van ieder document een afschrift te ontvangen zonder redelijke twijfel besloten de bevoegdheid om kopieën van documenten te vorderen. Het College ziet geen belemmeringen om de in art. 1:74 lid 1 Wft neergelegde bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, voor zover deze wordt uitgeoefend in het kader van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wft gestelde regels, in het licht van art. 50 lid 2 aanhef en onder a MiFID zo uit te leggen dat deze mede omvat de bevoegdheid om kopieën van gegevens en bescheiden te vorderen.

De AFM maakte van zijn bevoegdheid om inlichtingen te vorderen gebruik in overeenstemming met (het van overeenkomstige toepassing zijnde) art. 5:13 Awb. Het staat de AFM in beginsel vrij in het kader van haar toezichthoudende taken naar eigen inzicht en los van de wil van de onderzochte haar onderzoek in te richten. In dat licht acht het College begrijpelijk dat de AFM om de bankafschriften heeft gevraagd om een volledig beeld te verkrijgen van de activiteiten van appellante. Bankafschriften zijn daartoe een geschikt middel, en de AFM overschreed bij de uitoefening van deze bevoegdheid niet de door het recht daaraan, onder meer vanuit het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, gestelde grenzen. De AFM heeft in redelijkheid de last onder dwangsom kunnen opleggen.

Nuijten bespreekt aan de hand van beide…