Sign. - Inningsbevoegdheid


De pandhouder van een vordering is bevoegd in en buiten rechte nakoming van die vorderingen te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is meegedeeld (art. 3:246 lid 1 BW). in lid 3 is bepaald dat de bevoegdheden om nakoming te eisen en betalingen in ontvangst te nemen (de inningsbevoegdheid) en de bevoegdheid de verpande vordering door opzegging opeisbaar te maken (lid 2) aan de hoogst gerangschikte pandhouder toekomen indien op een vordering meerdere pandrechten zijn gevestigd. Beziet men lid 3 in verband met lid 1, dan moet worden aangenomen dat met "de in de vorige leden aan de pandhouder toegekende bevoegdheden" wordt gedoeld op bevoegdheden voor zover zij door lid 1 aan een pandhouder worden toegekend. Vóór de mededeling is de pandgever inningsbevoegd, na de mededeling de pandhouder(s). in geval van een stil pandrecht dat hoger in rang is dan een meegedeeld pandrecht, is op grond van lid 1 de hoogst gerangschikte pandhouder die daarvan mededeling heeft gedaan aan debiteuren, inningsbevoegd. lid 3 is helemaal niet aan de orde als er sprake is van meerdere pandhouders waarvan er slechts één inningsbevoegd is. Het is aan de stille pandhouder om desgewenst met gebruikmaking van het bepaalde in het vijfde lid van art. 3:246 BW zich door mededeling alsnog op het geïnde te verhalen. (Vrzngr. Rb. Zutphen 19 oktober 2011, LJN BU5839, «JOR» 2012/61, m.nt. mr. B.A. Schuijling)

Verder lezen
Terug naar overzicht