Sign. - Internationale kinderontvoering en het verzet van de minderjarige


M en V hebben van 1994 tot medio 2008 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit die relatie is in 1999 zoon Z geboren. V is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over Z belast. In september 2009 verhuist V met Z naar België. M is het daar niet mee eens. Sinds juni 2013 verblijft Z bij M in Nederland. In geschil is de teruggeleiding van Z naar België.
V verzoekt de rechtbank te bepalen dat Z onmiddellijk aan haar wordt afgegeven, opdat zij hem over de Nederlandse grens zal teruggeleiden. De rechtbank wijst het verzoek af, waartegen V in hoger beroep gaat.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden beslist zoals zij heeft gedaan. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat Z zowel tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg, als bij de Raad voor de Kinderbescherming en tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zich te verzetten tegen een terugkeer naar V in België. Dit verzet heeft Z ter zitting nader gemotiveerd met zijn negatieve ervaringen uit de tijd die hij bij V in België verbleef en waarin veel ruzies plaatsvonden (zowel tussen V en haar nieuwe partner, als tussen V en Z), als ook met de omstandigheid dat het in zijn beleving tussen hem en V niet goed gaat en dat hij – indien al aan de orde – niet van plan is om bij V in België te blijven omdat hij dan grote problemen voorziet. Voorts is het hof…

Terug naar overzicht