Sign. - Interpretatie begrip krediettransactie


Verzoekster biedt op haar website de mogelijkheid aan consumenten om toekomstige inkomsten (vaak (loon)vorderingen die zij hebben op hun werkgever) aan verzoekster te verkopen. De AFM heeft na onderzoek het standpunt ingenomen dat verzoekster zodoende krediet aanbiedt en verstrekt aan consumenten zonder over de daartoe ex art. 2:60 lid 1 Wft vereiste vergunning te beschikken. Verzoekster betoogt echter dat zij dit niet doet, nu haar bedrijfsvoering niet strekt tot het verschaffen van krediet. Zij stelt dat zij middels een koopovereenkomst, die ook een akte van cessie en volmacht inhoudt, vorderingen koopt. Verzoekster betaalt daarbij een nominaal lagere koopsom. Wordt de overgedragen vordering op de derde opeisbaar dan incasseert ofwel verzoekster deze als eigenaar ofwel de verkoper op grond van de overeengekomen volmacht. In het laatste geval is de verkoper op grond van de volmacht verplicht het geïncasseerde bedrag aan verzoekster af te dragen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verzoekster gehanteerde verdienmodel kwalificeert als het vergunningplichtig aanbieden en verstrekken van krediet, zoals bedoeld in art. 1:1 Wft. Doorslaggevend is dat het verdienmodel er feitelijk op is gericht dat verzoekster een bepaald bedrag ter beschikking stelt aan de consument en dat deze op een vooraf vastgestelde dag een aanzienlijk hoger bedrag aan verzoekster terugbetaalt. Ingevolge de vermelde definitie van "krediet" gaat het immers om het feitelijke verdienmodel en niet om hoe verzoekster dit model juridisch heeft vormgegeven en welke juridische termen zij daartoe bezigt. De AFM is derhalve bevoegd tegen de voortdurende overtreding van art. 2:60 Wft op te treden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening in die zin toe dat…

Verder lezen
Terug naar overzicht