Sign. - Interpretatie emigratieclausule


De vrouw is gehuwd geweest met de erflater, die in 1997 is overleden. De erflater heeft een ouderlijke boedelverdeling gemaakt, waarbij hij zijn echtgenote en zijn kinderen tot erfgenamen heeft benoemd. Bovendien is in het testament een emigratieclausule opgenomen. De vrouw heeft in 2006 een woning in Duitsland gekocht. In die woning woont haar schoondochter met haar kind. De vrouw verblijft er zelf slechts enkele dagen per week. De vrouw heeft haar woning in Nederland, waar zij nog verblijft, te koop gezet. De overige erfgenamen hebben de vrouw in 2006 voor het eerst per brief aangesproken tot betaling van hun vorderingen uit hoofde van de nalatenschap, aangezien de vrouw voornemens en doende is naar Duitsland te verhuizen.
Het geschil draait rond de volgende passage in het testament: "Mede ter voldoening aan mijn morele verplichting mijn echtgenote na mijn overlijden voldoende verzorgd achter te laten, bepaal ik dat de sub III.2 aan mijn overige erfgenamen toegedeelde vorderingen in contanten ten laste van mijn echtgenote eerst opeisbaar zullen zijn bij haar overlijden. Zij zullen echter onmiddellijk en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zijn ingeval mijn echtgenote (...) gaat emigreren."
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de betekening van de uitdrukking 'gaat emigreren'. Het hof verwijst naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad waarin geoordeeld is dat voor de beantwoording van de vraag beoordeeld moet worden of de bewoordingen in een uiterste wil in de zin van artikel 4:932 (oud) BW duidelijk zijn. De verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden, wordt geïnterpreteerd aan de hand van de verhoudingen die de erflater…

Terug naar overzicht