Sign. - Intrekking verzoek, ontvankelijkheid


De intrekking van haar verzoek door een van verzoekers heeft niet tot gevolg dat de aanhangigheid van de zaak jegens deze verzoekster zonder meer wordt beëindigd, maar leidt tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster. Hoewel het middel in zoverre doel treft, leidt dit echter niet tot vernietiging van de bestreden beschikking. Tussen beëindiging van de procedure van rechtswege en niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster bestaat in het gegeven geval, waarin geen aanspraak is gemaakt op een proceskostenveroordeling, in praktisch opzicht geen verschil in rechtsgevolg, zodat verzoeker in cassatie in zoverre geen belang heeft bij het middel. Voor de ontvankelijkheid van verzoekers tot een enquête is niet beslissend dat zij ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tezamen voldoende aandelen bezaten om de ontvankelijkheidsdrempel te overschrijden. Die ontvankelijkheidsdrempel vindt zijn rechtvaardiging in de omstandigheid dat het instellen van een enquête bezwarend is voor de vennootschap en haar onderneming. Daarom wordt een minimale steun van het verzoek verlangd, gemeten aan het bezit van (certificaten van) aandelen van de vennootschap. Het strookt met deze ratio dat de Ondernemingskamer onderzocht of de op het moment van haar beslissing nog overblijvende verzoeker voldeed aan de wettelijke kapitaalseisen en in dat verband geen betekenis toekende aan de omstandigheid dat het verzoek aanvankelijk mede werd gesteund door een andere verzoekster. Het cassatieberoep wordt verworpen. (Hof Amsterdam (OK) 8 juli 2011, ARO 2011/112, EMBA BV)

Verder lezen
Terug naar overzicht